Ik heb ze niet alle vijf.

25 05 2008

Hittegolf in de stad. Zonnige zondagmorgen. Ik stap de plaatselijke vleeswarenwinkel binnen. Druk, druk en de vleeswaren van mijn dorpsgenoten worden ongenegeerd uitgestald naast de fijne vleeskost van de slager.

Ik zet een stapje opzij, kwestie van de deur niet te blokkeren met mijn goed voorziene achterwerk. Een dame aan de andere kant van de winkel wuift naar mij. Ik lach vriendelijk en knik. Ze wijst, doet teken.

De neiging om naar achter te kijken (Heeft ze het wel echt tegen mij?) wordt meteen onderdrukt, aangezien ik met mijn rug tegen de winkelraam staat. Ze blijft teken doen en wijzen. Ondertussen kijken ook de andere mensen naar mij. Snapt gij dat nu niet? lijkt op hun gezichten geschreven.

Dan valt mijn euro. (ondertussen wel één van 50, denk ik) Ze wil dat ik achter haar kom staan, dan is het mijn beurt. Ik steek mijn duimen in de lucht en lach: “Ja, hoor, ik weet dat ik na u kom. Alles ok”. Wordt haar lach wat groener? Haar blik wat strakker?

Neen, ik doe alsof dat niet zo is. Ik blijf hier lekker staan. Dicht bij de deur, kijken naar de winkelmeisjes, goed zicht op ‘lekkere’ vleeswaren. Het rijtje? Niks voor mij. Meteen voel ik een principe-kwestie opborrelen. In het rijtje lopen, zegt me niks. Ik loop er lekker naast.

Onmiddellijk sus ik mezelf. Komaan, niet ‘astrant’ doen. Toch voelt het als een overwinning. Ik laat me niet doen. Ik blijf staan waar ik sta.

De andere mensen die binnenkomen gaan wel heel netjes in het rijtje staan. Er is zelfs iemand die vraagt waar de laatste persoon zich bevindt. “Ha, dan ga ik hier staan, hee, dan weten we de juiste volgorde”. Mensen blijven naar elkaar wijzen en aanduiden waar het rijtje is. Iedereen doet wat de anderen zeggen. Niemand gaat staan waar hij wil. Niemand komt binnen en zet simpelweg een stapje opzij.

Lopen we dan zo graag achter elkaar aan? Zijn we dan zo’n kuddemensen? Je wordt er dus raar op aangekeken als je iets anders dan de anderen doet? Yep, inderdaad.

Dan doe ik nog iets waardoor er bijna een hoorbare zucht van de mensen in mijn rug weerklinkt. Ik laat een mama met een heel klein kindje voor mij aan de beurt. Ze staat daar, met twee kinderen. Het jongste begint na een half uur echt vervelend te doen. Ik herinner me mijn winkelbeurten met zoonlief, die na 10 minuten al begon te vragen wanneer we nu naar huis gingen. Aan de massa mensen te zien zal ze na mij nóg zeker een half uur moeten wachten. Dus ik buig me naar haar en vraag of ze het ziet zitten om vóór me te gaan. De blik van dankbaarheid, de geslaakte ingehouden kreet van opluchting … het is me meer waard dan het feit dat zowat een vijfentwintigtal dorpsgenoten mij sedert vanmorgen een rare snuiter vinden. En een heel vervelend mens, waarschijnlijk. F*** them! (Oeps)





Verleden tijd

24 05 2008

Plots moet ik denken aan alle mannen waarin ik mijn energie stak. Op wiens telefoontje ik uren wachtte, langs wiens huis ik veel te dikwijls reed. Sommige mannen zijn mijn verdriet niet waard. Diegenen die me een wee gevoel in mijn maag gaven, die me puberaal deden zweven en me dan de baksteenbehandeling toebedeelden.

Of hoe ik heel blij ben met mijn huidige man. (En ik eigenlijk heeel graag de cd van Duffy krijg voor mijn verjaardag)

gezien bij Meneertje Confituur





Leven is een kaartspel 13

24 05 2008

Schoppenheer:

Duits is niet erg. Dat spreekt de buurman van de Pool. 





Happy ending

24 05 2008

Plots

voel ik

alles komt goed

Even wat

afstand

doet deugd

kwinkslag

plagerij

warm

ik ben er weer





Roze

23 05 2008

Wij doen aan ‘de Romantiek’, vandaag.

Vanavond Romantisch eten in den Antwerp. Nadien Romantisch bubbelen in de Jaccuzzi en ook Romantisch bakken in de Sauna. En dat alles overgoten met een sausje Roze Champagne en Romantisch … euh …

Laat me zeggen dat ik weer op roze wolken zal zitten, van den avond.





Ik ben de vrouw van een tijdsreiziger

22 05 2008

Wil je alsjeblieft geen aanval doen op mijn intelligentie?

Dat schoot door mijn hoofd bij de eerste hoofdstukken. Mensenlief, wat een nonsens, wat een onzin.

Tijdsreiziger Henry reist doorheen de tijd (logisch lijkt me als je een tijdsreiziger bent) en ontmoet zijn grote liefde vanaf haar zesde levensjaar. Tussendoor leeft hij een volwassen leven met haar. Hij kan er niks aan doen dat hij door de tijd reist. Hij ziet er zwaar van af. Het verhaal wordt de ene keer van uit zijn standpunt en dan weer van uit het hare verteld.

Jongens, ik begon het boek echt met tegenzin. Zoiets kan toch gewoonweg niet. Zelfs mijn fantasie is niet zo uitgebreid dat ik bereid ben in zulke klinkklare zever mijn leesenergie te steken.

Gaandeweg echter begon het mij te pakken. Henry en Clare hadden me in hun greep. Het werd mooi, romantisch, liefdevol, passioneel, boeiend, spannend …

Toen zat ik te huilen. Te janken, te wenen, te snotteren … en zo van snikken, hee. Mét geluid. Brrr … Als toen ik de eerste keer (op 12-jarige leeftijd) ET zag. Misselijk en mottig uit de cinema komen. Zakdoek in mijn mond om maar vooral niet té hoorbaar te zijn.

Want hij sterft. Dood van al tijdreizen. En zij sterft mét hem, maar vanbinnen dan. Zij moet nog alleen verder leven, wachtend op hem, tot ze oud en grijs is.

Das weer zo schoon, hee. Zo intens en diep en überromantisch. Misschien omdat ik zo overromantisch ben ingesteld, maar jongens, was ik me daar weer even van de kaart. Hij blijft nog even op mijn nachtkastje liggen. Af en toe kijk ik er eens naar en herlees ik die ene scène. Zelfkwelling… ben ik zo goed in!





Dramaqueen

21 05 2008

Ik druk, ik pers, ik duw. Niets.

Ik knijp, ik klem, ik prang. Niets.

Ik denk, ik pieker, ik peins. He-le-maal niets.

Geconstipeerd. Verdriet dat er uit moet. Tranen die moeten vloeien.

Het wringt, het trekt in mij. Dan weet ik: als ik huil, is het grootste deel wég. Kan ik verder en helder.

Alle registers trek ik open.

Niets, totaal niets.

Misschien moet ik maar gewoon eens in de tuin gaan werken. Frustraties, verdriet … het kan er ook nog anders uit.





Een stokje voor een stukje

20 05 2008

Een jaartje vrolijkheid wilde voor mij iets schrijven. Nu ja, bij mij, voor u, natuurlijk. Ikzelf vind haar ontzettend goed. Het echte leven, zonder veel blabla én met een enorm gevoel voor humor. En voor mezelf: o.n.t.z.e.t.t.e.n.d. herkenbaar. Dat we van ongeveer dezelfde leeftijd zijn, zal daar zeker iets mee te maken hebben. Het volgende stukje zou ik kunnen geschreven hebben. Of tenminste, het vertelt hoe onze levens gelijkaardig lopen. Elke is een toffe …

Het mogen schrijven op de blog van een ander werkt toch wel een beetje verlammend. Stress om vooral niet af te gaan. Meestal zet ik mij neer, start de computer op en begin te tikken. Recht van mijn hoofd naar het scherm. Zelden verander ik nog zinnen. Ik gebruik geen moeilijke woorden want ik versta ze zelf niet. Ik maak geen ingewikkelde zinnen want dat is me te lastig. Wel bewondering hier voor mensen die het wel kunnen, daar niet van. Maar niet voor mij. Ongeduldigheid en zo.

Nu is dat toch iets moeilijker, je schrijft niet zomaar iets bij iemand anders. Het vereist een Thema. Liefst een gemeenschappelijk.

Ik leerde Tantieris’ blog kennen ergens in de roze blogweek. Of was het de roze brilweek? De vrolijkheid spatte eraf, the eighties waren back. Het leven was roze.

Bizar toch hoe je je jeugd linkt aan vrolijkheid. Onbezorgdheid. Een overheersend gevoel van vrijheid, terwijl je je na je dertigste toch stukken beter voelt dan toen.

De jaren tachtig waren nochtans geen toonbeeld van fun. Ok, de muziek was fun, of toch op zijn zachtst gezegd lachwekkend. De kapsels waren de max, de kuiven ontelbaar. Wie had er toen geen permanentje in het haar? En wie er geen mocht van vader of moeder liep er maandenlang om te rouwen of zoch zijn toevlucht bij het wafelijzer. De potten gel waren groot en veel te rap leeg. De kleren waren wijd en de broekstailles reikten tot aan de onderkant van je ribbenkast. De oorbellen waren groot. Als je niet oplette bleef je achter een uitsteeksel haken en moest je oorlelloos door het leven. De brillen waren mega. De beugels waren beugels en geen blokjes. Oorbellen had ik niet. Een bril en beugel daarentegen wel.

De liefde van je leven werd verliefd op een ander, nooit op jou. De bom ging vallen en beïnvloedde de muziek – De Bom – en de film – War Games. Een studiekeuze maken was niet moeilijk. Wat je ook koos: je kans op werk was nihil. Het mobiletteke dat je wou, ging aan je neus voorbij. Je lief had een Yamaha. Een rooie. Jij mocht er niet op van je moeder, die nota bene niet wist dat je een lief had. Je deed dat dan ook niet. Twee dagen later was het af.

Je moest sokken dragen op school. Tot je 18e. Ook in sandalen. Je enige daad van rebellie was ze afdoen in klas en ze opnieuw aandoen als je naar buiten ging zodat je niet betrapt werd. Er werd niet gebrost, hooguit gerookt op de wc.

Wonderbaarlijk waren ze, de jaren ’80. Je vrijage beperkte zich tot kussen, verder dan dat ging het niet. Het duurde dan ook nooit langer dan een paar maanden. Je droeg geen schoenen met hakken, dat bestond niet voor jouw leeftijdscategorie. Je kocht geen sjakos op je 13e want je had niks om erin te stoppen. Je moest je niet verantwoordelijk gedragen want je had geen verantwoordelijkheid. De belangrijkste vraag was of je snob was of niet. De tweede belangrijkste of je voor U2 was of Simple Minds. De derde was of je ooit aan een lief ging geraken. Wist je veel dat alles zichzelf oploste.

Dàt was nogal eens een leven, dat wij hadden. Eén en al onbezorgdheid. Eén en al vrolijkheid…





Stil

19 05 2008

Vandaag geen woorden. Die bestaan niet om te uit te drukken hoe ik me voel sinds hij 5 jaar geleden in mijn leven kwam.





Gulp

18 05 2008

Het moet gezegd worden. Mijn tong ziet blauw van ingehouden woorden. Ik kijk naar hem en draai me om. We eten samen en zwijgen. We zitten naast elkaar maar kijken niet meer in dezelfde richting. We verliezen elkaar, elke dag een beetje meer.

Ik kijk … hoe hij kleiner wordt, hoe hij grijzer wordt. Zijn glimlach is in bitterheid verloren gegaan. Zijn passie is wég, opgeslorpt door dagelijkse beslommeringen, door een keiharde realiteit die wonden slaat. Littekens die nooit verdwijnen.

Mijn hart krimpt samen, slaat een slag over bij zijn aanraking. Terwijl hij vroeger probleemloos mijn ziel kon strelen, huiver ik nu wanneer hij mijn hoofd aait.

De woorden branden. Ik weet wat hem te doen staat, ik wil het uitschreeuwen maar ik zwijg en ik slik. Alleen hij kan de stap zetten, het is zijn strijd, zijn gevecht.
Maar stilaan wordt het ook het mijne. En ik ben niet sterk genoeg.